Taal:
DDAC12. (Dubbele Digitaal Analoog Convertor, 12 bits)

Gebruik:

Dit is de grote broer van de DDAC8-print, en eveneens voorzien van twee maar dan nog nauwkeuriger uitgangen voor spanningen tussen O en 5 of 10 Volt naar keuze, Tevens heeft men de mogelijkheid om naar keuze de spanningen positief of negatief te maken.

Technische specificaties:

De DDACl2-print beschikt over twee analoge uitgangen A en B, die in een resolutie van 12 bits (4096 stapjes) een spanning kunnen leveren van naar keuze -10, =5, +5 en +10 Volt. De nauwkeurigheid is beter dan 1 lsb en de offset is afregelbaar op nul. De conversietijd bedraagt ca. 1,5 microseconde. De analoge uitgangen kunnen enkele mA stroom leveren.

De DDAC12-print heeft drie voedingsspanningen nodig: +5 Volt, +15 Volt en -15 Volt. Deze worden aangesloten op de S-polige kroonsteen (Deze heeft ook aansluitingen voor -5 Volt en Aarde; de -5 Volt wordt niet gebruikt).

Schakeling: (De D/A-conversie)

 

Getallen van 0 tot 4095 kunnen omgezet worden in een evenredige gelijkspanning in een te kiezen spanningsbereik. Het getal wordt verdeeld in een most- en least significant byte (MSB en LSB).

 

Eerst wordt het LSB op de data-bus geplaatst en ingeklokt door adressering van de print, Vervolgens wordt dit getal geconverteerd door het uitsturen van de conversie-opdracht, waarin het kanaal van bestemming verwerkt is, naar het printadres +1.

 

De procedure wordt herhaald voor het MSB. Daarna is het conversieresultaat in het IC U7 beschikbaar, maar de poort moet door een extra commando geopend worden.

 

Vervolgens wordt de ocutput-poort weer gesloten, waarna het conversieresultaat op de uitgang behouden blijft tot de volgende conversieuitgevoerd is en de output-poort opnieuw geopend wordt.

Adressering: (tevens instelling en afregeling)

 

Bij het programmeren van de print dienen een aantal acties uitgevoerd te worden om de hardware te bedienen. De data zijn een 12-bits getal en aangezien data-transport over een 8&-bits bus plaats vindt, zijn twee bytes nodig, die achter elkaar verwerkt moeten worden. Eveneens door de computer uitgestuurd moeten worden het printadres en de conversieopdracht aan de D/A-IC, Dit moet beide op de adresbus gebeuren,- omdat gelijktijdig de data op de adresbus aanwezig moeten zijn. Vandaar dat de DDAC12-print twee adressen in het UNIFACE-systeem nodig heeft. Het kaartnummer wordt gekozen op de posities 2 t/m 8 van de DIL-schakelaar.

Positie 1 is niet aangesloten, maar wordt gebruikt ter onderscheiding van een adressering en een conversieopdracht.

 

Het kaartnummer van de DDACI2-print moet dan ook altijd even zijn

 

De D/A-conversie wordt uitgevoerd met het IC U7. Nadat de 2 bytes, waarvan 12 bits de meetwaarden vormen, zijn ingeklokt op de print, wordt de conversie gestart. Hierbij wordt in de opdracht gekozen uit de twee output—poorten.

 

Bij bet opbouwen van de spanning wordt uitgegaan van een referentie- spanning verkregen met behulp van de zeer nauwkeurige voltage reference U8. De referentiespanning wordt gekozen met behulp van de jumpers X3, X4 en X5, die gemerkt zijn volgens het volgende schema:

4

 =

 o

 

6

 =

 ooo

 

8

 =

 ooo

 De aansluitingen 6, 8 en 11 zijn drievoudig uitgevoerd;

11

 =

 ooo

 4, 13 en 10 zijn enkelvoudig aanwezig,

13

 =

 o

 

10

 =

 o

 

De eerste stap is de keuze van de referentiespanningen. Dit gebeurt

door een jumper aan te brengen tussen enerzijds aansluiting 10 en

anderzijds naar keuze één van 6, 8 of 11.

 

Het resultaat van de mogelijke aansluitingen staat in onderstaande tabel:

 

Spanning op : ( in Volt )

Aansluiting

6

8

 11

10 - 6

x

-10

 -5

10 - 8

+10

x

 +5

10 - 11

+5

-5

 x

Afwijkingen van de genoemde referentiespanningen kunnen bijgesteld worden met de trim-potmeters Pl en P2.

 

De aansluitingen 4 en 13 corresponderen respectievelijk met de uitgangen A en B. Het meetbereik van deze uitgangen wordt gekozen door het maken van een jumper-connectie met een van de twee aansluitingen uit de serie van 6, 8 en 11, die nog niet met 10 is verbonden.

 

Bij deze keus dient men rekening te houden met het feit, dat de referentiespanning nog geïnverteerd wordt.

---